Speech burgemeester Kleijngeld Dodenherdenking 4 mei 2021

Sinds vorige week ligt er een herdenkingssteen aan de Hogevaart 86 in Sprang-Capelle. Dit is het laatste adres waar Leon Hartog woont vóór hij op bevel van de bezetter uit onze gemeente verdwijnt en daarmee zijn dood tegemoet gaat.

Leon Hartog is de zoon van een Joods echtpaar uit Amsterdam. Vader is koopman. Zijn band met Waalwijk begint in zijn vroege jeugd. Zijn grootouders wonen in Besoyen en zorgen deels voor zijn opvoeding. 

Hij trouwt op dertigjarige leeftijd. Beroepsmatig treedt hij in de voetsporen van zijn vader. Hij verdient de kost als koopman, handelsagent en effectenhandelaar. In 1918 verplaatst hij zijn bedrijf van Den Bosch naar Waalwijk. De Hartogs wonen lange tijd aan de Grotestraat 315. Hartog is actief in de Waalwijkse samenleving. Hij is namens de vrijzinnig-democraten lid van de gemeenteraad en secretaris van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. In de jaren van de grote crisis is hij lid van het Algemeen Crisiscomité Waalwijk.

In deze crisisjaren gaat zijn bedrijf failliet. Hij verlaat zijn pand aan de Grotestraat en verhuist naar de Hogevaart in Capelle. Als hobby fokt hij pluimvee. In Waalwijk blijft hij actief binnen de kleine Joodse gemeenschap. Hij speelt een hoofdrol bij de restauratie van de synagoge. In Sprang-Capelle leidt hij een onopvallend en teruggetrokken bestaan.

Het is een leven zoals dat van vele anderen. Soms met geluk, soms met pech, zoals bij ons allemaal. De Duitse bezettingstijd biedt onzekerheid. Wat gaat de Joodse gemeenschap ervan merken? Dat blijkt al snel. Najaar 1941 krijgt burgemeester Smit van Sprang-Capelle opdracht om opgave te doen van alle in de gemeente wonende Joden. In 1942 volgt de maatregel die het Joden verbiedt om vervoermiddelen te bezitten of te besturen.  Anderhalf jaar later volgt de oproep dat alle Joden zich moeten melden. Hartog meldt zich in SS Konzentrationslager Herzogenbusch, in de volksmond Kamp Vught. ‘Het zal allemaal zo’n vaart wel niet lopen. Ik vraag gewoon een vergunning aan om met de trein naar Den Bosch te reizen.’

Op 10 april 1943 meldt hij zich in Vught. Van daaruit gaat hij via Westerbork met het twaalfde transport naar vernietigingskamp Sobibor in Polen.  Het kamp heeft maar anderhalf jaar bestaan. In die tijd zijn er ca 170.000 mensen naar gedeporteerd. Twintig procent ervan komt uit Nederland. Het enige doel van het kamp was de gevangenen na aankomst zo snel mogelijk te vermoorden. De meesten die er aankwamen stierven nog dezelfde dag. Eén van hen heette Leon Hartog.

Ik herinner me de 4 Mei-lezing van Arnon Grunberg van vorig jaar. Hij beschrijft enkele gruwelijke gebeurtenissen die zich in de kampen hebben afgespeeld. Vanaf nu citeer ik hem meer dan eens. 

Eén gruwelijke gebeurtenis speelt zich af in Auschwitz. Een groep levende zigeunervrouwen en kinderen wordt in een kuil gegooid. Een Nederlandse gevangene krijgt het bevel kerosine over de mensen in de kuil te storten. Wanneer hij weigert wordt hij zelf in de vlammen getrapt. Het Nederlandse ‘Nee! Nee!’ klinkt de getuige die het heeft zien gebeuren nog steeds in de oren.

Hoe Leon Hartog in Sobibor precies om het leven is gebracht, weten we niet. Wat we wel weten is wat er eerder is gebeurd. Er gingen verkiezingen aan vooraf, ambtelijke orders, gewillige en minder gewillige helpers, van wie de meesten nooit in een concentratiekamp waren geweest en nooit iemand gedood hadden.

Dat een Nederlander kerosine over levende vrouwen en kinderen moest uitgieten begon met woorden, met toespraken van politici. Juist in deze geseculariseerde tijden rust een speciale verantwoordelijkheid op Kamerleden, op ministers om het goede voorbeeld te geven. Om het woord géén gif te laten zijn. Om altijd voor ogen te houden dat de staat noodzakelijk is maar ook een potentieel kwaad dat met achteloze vanzelfsprekendheid mensen, zelfs hele bevolkingsgroepen kan vermorzelen. 

Leon Hartog en de anonieme Nederlander waarschuwen ons. Ze staan symbool voor veel slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Laten we hun waarschuwingen ter harte nemen. Laten we voorzichtig omgaan met de samenleving die we sinds 1945 samen hebben opgebouwd en die is gebaseerd op artikel 1 van onze grondwet:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Dat alle slachtoffers van de oorlog rusten in vrede.
 

Bronnen:
J. Roosendaal in Klopkei 1990
A. Grunberg, 4 Mei-lezing 2020
Wiki Waalwijk