Doorgaan

Mijn stad beneemt me de adem
Benauwt me zo af en toe
Ik stik dan in onbegrip en bluesy gevoelens
Heeft wie altijd kankert nondeju dan toch gelijk?
Kan hier niks zonder ruzie en razend gekal?
Verzandt hier dan alles als de grond onder onze voeten?
Of zie ik het vertekend door verkoolde brillen,
Relieken van een voorbije mentale tijd?
Mijn stad geeft me zuurstof, net zo goed
En adrenaline, zeker als het overal schuurt en schaamt
Zolang ik dát voel en ‘help me!’ durf te schreeuwen
En denk dat iemand me af en toe hoort
Kan ik verder in twijfel, hoop, woede, angst, trots, kracht
Is er geen man of vrouw overboord!